Toezine

Wekelijkse verdieping voor professionals in toezicht, handhaving en inspectie

Bezig met laden...

'Meer publiek debat over toezicht s.v.p.'

Femke de Vries mag zich vijf jaar lang bijzonder hoogleraar Toezicht noemen. Een van de onderzoeksthema’s: het verband tussen transparantie van toezichthouders en het publieke vertrouwen in toezicht.

De Provincie Noord-Holland, het Centraal Fonds Volkshuisvesting, de Inspectie Jeugdzorg, het College bescherming persoonsgegevens en het Staatstoezicht op de Mijnen. Het zijn enkele leden van Vide, de beroepsvereniging voor professionals in het veld van toezicht, inspectie en handhaving. Voor al deze organisaties kan het onderzoek van Femke de Vries relevante kennis opleveren, zo is de gedachte. Haar leerstoel aan de Rijksuniversiteit Groningen is dan ook ingesteld door de beroepsvereniging.

Wat staat er op de onderzoeksagenda van de nieuwe bijzonder hoogleraar Toezicht?

“Ik ga onderzoeken of transparantie over toezicht invloed heeft op het vertrouwen van het publiek in toezichthouders. Het gaat me dan niet zozeer om naming & shaming, maar om de openbaarmaking van informatie over wat toezichthouders dagelijks doen en wat ze aantreffen bij onder toezicht gestelden. Bijvoorbeeld: De Nederlandsche Bank (DNB) houdt toezicht op de financiële sector maar kan daarbij geen namen van individuele instellingen noemen. Dat heeft een reden. Soms kan transparantie leiden tot het vergroten van het probleem, bijvoorbeeld wanneer toezichtinformatie zou leiden tot een bankrun. Maar de vraag is wel hoe je kunt zorgen dat het publiek vertrouwen houdt in het toezicht als je niet volledig transparant kunt zijn over de regelnaleving. En als je wel meer openheid kunt geven als toezichthouder, waar liggen dan de grenzen?
Een aspect van dit onderzoeksthema heeft te maken met de grote diversiteit in de mate van transparantie die Nederlandse toezichthouders bieden over de resultaten van hun werk. Wordt transparantie ingegeven door het domein of de sector waarop toezicht wordt gehouden? Zijn dat gerechtvaardigde verschillen? En leidt meer openheid tot meer vertrouwen in toezichthouders en toezicht?”

Wie is Femke de Vries?

Femke de Vries is van 2015 tot 2020 als bijzonder hoogleraar Toezicht verbonden aan de Faculteit Rechtsgeleerdheid van de Rijksuniversiteit Groningen. De parttime positie is ingesteld door beroepsvereniging Vide.
De Vries werkt daarnaast als secretaris-directeur bij De Nederlandsche Bank (DNB), waar ze sinds 2003 verschillende (management)functies vervulde. Eerder werkte ze bij de Belastingdienst, het ministerie van Financiën en het ministerie van Veiligheid en Justitie.

Welke inzichten staan het toezichtveld te wachten?

“Ik wil er graag aan bijdragen om het publieke debat over realistische verwachtingen van toezicht te stimuleren. Toezichthouders moeten vooral niet bang zijn om hierover met beleidsmakers, politici, opiniemakers en de media in gesprek te gaan. Iedere toezichthouder heeft wel te maken met maatschappelijke discussies. Vooral na een incident. De toezichthouder wordt op het matje geroepen en komt dan al snel in een verdedigende positie. Het is logisch en noodzakelijk om in zo’n situatie hard aan de slag te gaan om verantwoording af te leggen over het uitgevoerde toezicht en om verbeteringen door te voeren. Los daarvan is het wenselijk om ook een debat te voeren over wat de maatschappij eigenlijk mag verwachten van toezicht. Toezichthouders staan sterker als ze hierbij collectief optrekken – en als ze dit gesprek voeren zonder dat een incident de aanleiding is.

De dilemma’s waar toezichthouders mee worstelen zijn ook echt vergelijkbaar. Bij elke bijeenkomst van Vide gaat wel een golf van herkenning door de zaal als een van de toezichthouders iets vertelt over de dagelijkse praktijk. De opgaven waar toezichthouders nu voor staan zijn groot, en de maatschappelijke verwachtingen over toezicht nemen voortdurend toe. Alleen in gesprek met onze belangrijke stakeholders – politiek, publiek en onder toezicht gestelden – kunnen we duidelijk maken welke verwachtingen realistisch zijn, en welke capaciteit toezichthouders dan nodig hebben.”

Wat valt er nu al te zeggen?

“Er wordt steeds meer kennis uitgewisseld tussen toezichthouders – de ramen en deuren gaan vaker open, zodat we onderling met elkaar kunnen meedenken. Maar we trekken nog weinig samen op. Bijvoorbeeld als het gaat om consultatie van wetgeving, nieuwe onderzoeksmethoden, of de ontwikkeling van agenda’s voor de toekomst van het toezicht. Er zou zeker meer ruimte moeten komen voor debat tussen toezichthouders onderling, en tussen toezichthouders en de wetenschap.”