Toezine

Wekelijkse verdieping voor professionals in toezicht, handhaving en inspectie

Bezig met laden...
De certificatieparadox

De certificatieparadox

Hoe waardevoller het certificaat, hoe onbetrouwbaarder het is. Dat is de paradox van het certificeren. Columnist Frédérique Six schrijft over het certificaat als kroon op het werk van regelnalevende bedrijven.

Moeten publieke toezichthouders rekening houden met certificaten van de organisaties waarop zij toezicht houden om de administratieve lastendruk te verminderen? Of houden toezichthouders terecht weinig rekening met certificaten, omdat er te vaak incidenten plaatsvinden bij gecertificeerde organisaties? Het publieke debat hierover wordt soms fel gevoerd.

Ik zie een certificatieparadox. Die luidt: hoe waardevoller het certificaat voor de organisatie is, des te onbetrouwbaarder is het voor de publieke toezichthouder. Waardevol verwijst hier naar de economische waarde die het certificaat heeft voor de organisatie die het mag voeren. Die waarde heeft er bijvoorbeeld mee te maken dat de organisatie zich met een certificaat kwalificeert om mee te bieden bij aanbestedingsprocedures (zoals bij kwaliteitszorgcertificaten) of toegang krijgt tot een markt (denk aan certificaten voor asbestverwijdering of jeugdzorg). In sommige gevallen kan voor een gecertificeerd product een hogere prijs worden gevraagd (zoals het geval is bij het Ekokeurmerk of andere duurzame keurmerken). Daarnaast ligt de waarde van een certificaat in de mogelijkheid die het een organisatie biedt om in een minder intensief toezichtregime te komen.

Maar: hoe hoger de economische waarde van het certificaat voor de organisatie, hoe groter de kans dat calculerende organisaties via list en bedrog het certificaat willen bemachtigen. Zo kunnen zij de economische waarde van het certificaat verzilveren zonder daadwerkelijk aan de voorwaarden te voldoen. Daarmee wordt het certificaat juist onbetrouwbaar voor een publieke toezichthouder, want het is geen goede indicator meer voor structureel goede regelnaleving.

Het is belangrijk om te realiseren dat het doel van toezicht doorgaans verschilt van het doel van certificering. Certificering is oorspronkelijk ontwikkeld als een externe erkenning voor systemen van kwaliteitsmanagement en -borging. Dit soort systemen probeert mensen in een organisatie positief te stimuleren om die kwaliteit ook daadwerkelijk te leveren. Bijvoorbeeld als het gaat om veilige producten en diensten voor cliënten, consumenten, werknemers, omwonenden of het milieu in algemene zin. Als vervolgens de certificerende instelling genoeg tijd (en vergoeding) krijgt voor de certificerende audit, is het certificaat een goede indicatie – maar nog altijd geen bewijs! – dat de organisatie structureel de regels kan en wil naleven. Zolang de economische waarde van een certificaat laag is, zullen alleen organisaties die regelnaleving sowieso belangrijk vinden er warm voor lopen. Een certificaat fungeert dan als kroon op hun werk. En certificerende audits als inspiratie voor verbeteringen.
Toezichthouders richten zich op regelhandhaving (en risicobeheersing) en zijn daarbij alert op fraude en andere vormen van criminaliteit. Een inspecteur let daarom op andere dingen en verzamelt (deels) andere informatie dan een certificerende auditor.

De les voor inspecties is daarom even paradoxaal als de certificatieparadox zelf. Want zodra een certificaat betrouwbaar wordt gevonden en daar in de toezichtstrategie rekening mee wordt gehouden, neemt de economische waarde toe. Wat er uiteindelijk toe kan leiden dat het certificaat onbetrouwbaar wordt.