Toezine

Wekelijkse verdieping voor professionals in toezicht, handhaving en inspectie

Bezig met laden...
WRR: interne en externe toezichthouders kunnen meer van elkaar leren

WRR: interne en externe toezichthouders kunnen meer van elkaar leren

De Onderwijsinspectie die de Raad van Toezicht van een scholengemeenschap op de vingers tikt. Een vernietigend rapport van de commissie-Hoekstra over het financiële toezicht op woningcorporatie Vestia. Interne en externe toezichthouders in de semipublieke sector zijn de laatste jaren meer in elkaars vaarwater terechtgekomen. In 'Van incident naar preventie' pleit de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) voor terughoudendheid in het directe contact tussen interne en externe toezichthouders. “Er is nog weinig aandacht voor de strategie en positionering van intern en extern toezicht.”

Rijksinspecties, markttoezichthouders en andere externe toezichthouders hebben in de semipublieke sector steeds meer te maken met interne toezichthouders (zoals Raden van Toezicht en Raden van Commissarissen). Zijn de onderlinge contacten wenselijk, of juist niet? In een policy brief – een korte publicatie waarin de WRR vanuit zijn wetenschappelijke kennis reflecteert op een actueel beleidsthema – pleit senior wetenschappelijk medewerker Meike Bokhorst voor terughoudendheid bij directe contacten tussen interne en externe toezichthouders, zolang er geen sprake is van dreigende misstanden. Intensieve contacten zijn op sectorniveau juist wel wenselijk, omdat de toezichthouders dan van elkaar kunnen leren. Met de reflectie op de relatie tussen intern en extern toezicht in de semipublieke sector bouwt de WRR voort op eerdere rapporten over het thema – en de discussies die daarop volgden.

Policy brief: Van incident naar preventie. (Download de publicatie)
Beperking en versterking van de relatie tussen intern en extern toezicht.
Uitgave: WRR

Waarom heeft de WRR een publicatie uitgebracht over de relatie tussen intern en extern toezicht?

“De WRR heeft in de afgelopen jaren verschillende rapporten gepubliceerd over toezicht, maar een onderzoek naar de relatie tussen intern en extern toezicht ontbrak. Beide partijen weten dat de ander belangrijk is, maar de onderlinge verhoudingen zijn niet goed uitgewerkt. Toezichthouders hebben nog vaak het idee dat intern en extern gescheiden werelden zijn die weinig met elkaar te maken hebben. Maar juist door incidenten bij zorginstellingen, woningcorporaties en scholen – denk aan Meavita, Vestia en Amarantis – wordt duidelijk dat ze wél met elkaar te maken hebben. Steeds meer zelfs. Daarom moet de relatie helder zijn.”

Waarom hebben interne en externe toezichthouders steeds meer met elkaar te maken?

“Externe toezichthouders – zoals rijksinspecties en markttoezichthouders – krijgen een steeds breder takenpakket. Die kijken nu bijvoorbeeld ook naar zaken als gedrag en cultuur en niet alleen naar kwaliteit en financiën. Aandacht van toezichthouders voor bijvoorbeeld de communicatie vanuit het bestuur van organisaties wordt belangrijker, naast het handhavend optreden. Intussen zijn ook de verantwoordelijkheden van interne toezichthouders verschoven. Aanvankelijk stond hun rol als financieel bewaker voorop. Later is daarbij ook toezicht op kwaliteit gekomen. Maar tegenwoordig kijken interne toezichthouders steeds meer naar de relatie met de omgeving. Dat betekent dat je in sectoren zoals zorg, wonen en onderwijs een overlap aan taken krijgt tussen externe en interne toezichthouders. Daarom moet je heel goed onderscheiden wie welke verantwoordelijkheden heeft. Wij hebben in deze policy brief voor het eerst de verschillende taken en rollen benoemd – dat was in Nederland nog niet eerder gedaan.”

Wat zijn de belangrijkste aanbevelingen van de WRR als het gaat om de verhouding tussen intern en extern toezicht?

“Twee zaken staan centraal. Als de verantwoordelijkheden helder zijn, moeten interne en externe toezichthouders op organisatieniveau zich volgens de WRR niet te veel met elkaar bemoeien. Je moet voorkomen dat je elkaars werk gaat doen. Daarnaast kan direct contact tussen interne en externe toezichthouders op dit niveau leiden tot rolvermenging en spanningen. Normaal gesproken is de interne bestuurder het aanspreekpunt voor de externe toezichthouder. Alleen bij dreigende misstanden en crisissituaties moet die ook contact opnemen met de interne toezichthouder, zoals de voorzitter van de Raad van Toezicht.
Aan de andere kant zou het goed zijn als externe toezichthouders zoals inspecties op regionaal of sectoraal niveau, juist intensiever contact hebben met (verenigingen van) interne toezichthouders. Ze kunnen elkaar namelijk nog zoveel bijbrengen. Met name bij interne toezichthouders bestaat sterk de behoefte om te leren van de sectorkennis van de externe toezichthouder. Soms staat het intern toezicht nog in de kinderschoenen. Zij kunnen zoveel leren van bijvoorbeeld de Onderwijsinspectie of de Inspectie voor de Gezondheidszorg, die op heel veel verschillende plaatsen komen. Externe toezichthouders zijn op dit moment nogal terughoudend in hun contacten met interne toezichthouders; ze vrezen dat overleg hen veel tijd gaat kosten. Maar het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat ze met individuen in gesprek gaan. Het gaat juist om het gezamenlijk organiseren van bijvoorbeeld congressen of casusbesprekingen. Of om het uitwisselen van goede voorbeelden. Omgekeerd staan externe toezichthouders vaak op grote afstand van organisaties. Zij kunnen van interne toezichthouders weer veel leren over wat er in de praktijk en op de werkvloer leeft binnen organisaties.”

Hoe gaat het nu verder met het thema intern en extern toezicht?

“Er is nog veel onderzoek nodig. En dan gaat het niet zozeer om het ontwikkelen van interventies en instrumenten, maar om het beantwoorden van strategische vragen. Er is nog weinig aandacht voor de strategie en positionering van intern en extern toezicht. Daarnaast merk ik ook interesse in het onderwerp bij andere partijen, zoals de Inspectie voor het onderwijs en de verenigingen van toezichthouders (Vide, VTW, VTOI). Ik hoop dat de afgebakende verantwoordelijkheden steeds duidelijker worden – en tegelijkertijd de samenwerking op het sectorniveau toeneemt.”