Toezine

Wekelijkse verdieping voor professionals in toezicht, handhaving en inspectie

Bezig met laden...
Inspecteurs: consultatie bij nieuw beleid schiet tekort

Inspecteurs: consultatie bij nieuw beleid schiet tekort

Sinds twee jaar zijn de ‘Aanwijzingen inzake rijksinspecties’ van kracht waarin de handelsruimte van inspecties is vastgelegd. Daarin staat ook dat beleidsmakers inspecties in een vroeg stadium raadplegen. Dit met name met het oog op de handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid van nieuw beleid en nieuwe wetten. Wat komt daar in de praktijk van terecht?

De HUF-toets (handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid, fraudebestendigheid): zo heet de consultatie vooraf in de wandel. Het lijkt niet meer dan logisch: betrek inspecteurs die dagelijks met de praktijk geconfronteerd worden vroegtijdig bij het maken van nieuwe wetten en nieuw beleid. Zo voorkom je dat iets wat vanachter een bureau bedacht is in de praktijk niet blijkt te werken. Inmiddels zijn we twee jaar verder, een mooi moment om de inspecteurs eens te vragen wat er van het voornemen terechtkomt. Worden zij daadwerkelijk bevraagd? En hebben inspecteurs het idee dat er ook echt iets met hun inbreng gedaan wordt?

Peiling op LinkedIn

In de afgelopen maanden peilden we via de LinkedIn-groep Rijksinspecties de ervaringen van diverse inspecteurs, zowel bij rijksinspecties als bij specifieke inspecties, waterschappen en gemeenten. 35 van hen reageerden op de oproep. 14 (40 procent) hadden een positieve ervaring: ze waren inderdaad om advies en praktijkervaringen gevraagd en hadden zo het idee daadwerkelijk betrokken te zijn bij de totstandkoming van beleid en wetgeving. De overige 21 (60 procent) waren minder enthousiast: ze antwoordden met ‘nee’ op de vraag of ze betrokken werden.
“De realiteit is vaak toch anders dan de makers van wet- en regelgeving en marktpartijen hebben bedacht.”
Enkele inspecteurs gaven in hun commentaren bij de survey aan eraan te twijfelen of hun feedback ook echt gebruikt is. “Is er sprake van ‘de toezichthouders echt betrekken’ als vervolgens met hun feedback niets wordt gedaan?”, vraagt een van hen retorisch. Een ander liet weten wel geraadpleegd te zijn, maar in een (te) laat stadium: “Ik heb ‘ja’ aangegeven, maar ben van mening dat het beter kan. In een eerder stadium bijvoorbeeld.” Een volgende gaf aan dat bij bijvoorbeeld regelgeving voor kinderopvang de inbreng vooral komt van oudervertegenwoordigers en eigenaren van kinderopvangcentra, en nauwelijks van inspecties. Dat leidt maar al te vaak tot ongewenste – want nagenoeg onuitvoerbare – situaties, aldus deze (gemeentelijk) inspecteur: “De realiteit is vaak toch anders dan de makers van wet- en regelgeving en marktpartijen hebben bedacht.”
“Is er sprake van ‘de toezichthouders echt betrekken’ als vervolgens met hun feedback niets wordt gedaan?”

Meer en beter optrekken

Uit de reacties valt wel op te maken dat het meer en beter betrekken van toezichthouders wel wenselijk wordt gevonden. De ‘Aanwijzingen inzake rijksinspecties’ mogen dan gericht zijn op rijksinspecties, ook gemeentelijke toezichtambtenaren zouden graag vaker worden geraadpleegd. “Wij hebben een bak aan informatie over en ervaring met de werkelijkheid beschikbaar, slechts bij hoge uitzondering worden we door beleidsmakers van de gemeente daarnaar gevraagd”, aldus één van hen. Een andere reactie: “De praktijk is vaak anders dan de Haagse werkelijkheid. Het is dus noodzakelijk dat de uitvoering betrokken wordt bij beleid en regelgeving. Dit leidt tot beter handhaafbare en uitvoerbare regelgeving.”