Toezine

Wekelijkse verdieping voor professionals in toezicht, handhaving en inspectie

Bezig met laden...
Stakeholders ILT: “Houd slimmer toezicht!”

Stakeholders ILT: “Houd slimmer toezicht!”

“Wat vindt u van onze werkwijze?”, vroeg de Inspectie voor Leefomgeving en Transport (ILT) aan haar stakeholders in 2017. Er kwamen stevige antwoorden terug: richt je minder op het klassieke toezicht en maak meer gebruik van data. Daarop volgde een ommezwaai bij de ILT. Via ‘proeftuinen’ experimenteert ze nu met de nieuwe aanpak.

Quirine Diesbergen, programmamanager Bodem ILT

“Klassiek toezichthouden kán heel effectief en noodzakelijk zijn”, zegt Quirine Diesbergen, programmamanager Bodem bij de ILT. “Je constateert een overtreding en legt een boete op. Maar op de langere termijn kan een andere vorm van toezicht slimmer en effectiever zijn. Dat kwam ook naar voren in de feedback die we kregen van onze stakeholders – waaronder grote bedrijven waarop we toezichthouden en enkele provincies en gemeenten. Dus zijn we een vernieuwingsslag gestart, die van alle medewerkers een frisse blik verlangde op zijn of haar werk. Waarom doe je wat je doet? En hoe kun je effectiever werken? Samen werken we toe naar een nieuwe aanpak en een andere manier van beïnvloeding. Passend bij wat de huidige maatschappij van ons vraagt.”

Naar een hoger niveau

Hoe ziet die nieuwe aanpak eruit? Diesbergen: “We zoomen als het ware wat meer uit. Zo proberen we toekomstige overtredingen te voorkomen. Stel, we krijgen een melding dat een organisatie op meerdere locaties legionella in de leidingen heeft. Voorheen keken we dan op iedere locatie wat er precies aan de hand was. Nu gaan we toe naar een situatie waarin we praten met de overkoepelende organisatie. Op een hoger niveau spreken we mensen aan en kijken we meer naar de gedrags- en cultuureffecten, in plaats van iedere individuele overtreding te beboeten.
“Op een hoger niveau spreken we mensen aan, nemen we hen mee in wat we zien en geven we aan dat we maatregelen verwachten.”
Andere toezichthouders, zoals de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en De Nederlandsche Bank, richtten zich eerder al meer op de gedrags- en cultuureffecten van een organisatie waarop ze toezicht houden. “Daarom hebben we hen ook om advies gevraagd”, legt Diesbergen uit. “Zij legden uit dat ze een thermometer in organisaties proberen te steken. Hoe staan die ervoor, welke problemen spelen er en wat kunnen wij als toezichthouder daarin betekenen? De AFM deed bijvoorbeeld onderzoek naar ongewenste financiële producten, die desondanks toch verkocht worden. Hoe komt dat? Heeft het te maken met de cultuur van de sector, met perverse prikkels? De uitkomsten legde de AFM vervolgens voor aan de raden van bestuur van diverse financiële bedrijven, die daardoor beter begrepen hoe ze moesten handelen om de verkoop van die producten te voorkomen. Na enkele maanden bekeek de AFM of deze handelswijze effect had gehad door na te gaan wat er in de tussentijd veranderd was. Zo’n aanpak is voor ons een mooie inspiratiebron. We verrijken ons toezicht graag met dit soort inzichten.”

Eerst experimenteren, dan uitvoeren

Onderdeel van de nieuwe werkwijze is om nieuwe ideeën te testen in de praktijk, in zogeheten proeftuinen. Hiermee hoopt de ILT meer effect te bereiken op schadelijk gedrag van ondertoezichtstaanden. “Door die experimenten zien we wat werkt en wat niet”, vertelt Diesbergen. “Het kunnen zowel kleine als grote proeven zijn. Onlangs hadden we bijvoorbeeld de proeftuin ‘grote bedrijven’. Daarin onderzochten we of grote bedrijven zich anders gedragen dan kleinere. Zijn ze gebaat bij een ‘eigen’ aanpak, om de effectiviteit van het toezicht te vergroten? Is gedragsbeïnvloeding bijvoorbeeld zinvol?
Daarover gaan we met hen in gesprek.”

Sjoerd Backx, hoofd afdeling Publieke Instellingen ILT

Ook verschillende sectoren kunnen elk een andere aanpak nodig hebben. “De drinkwatersector heeft haar zaakjes bijvoorbeeld al jaren goed op orde”, vindt Diesbergen’s collega Sjoerd Backx, hoofd van de afdeling Publieke Instellingen. “Dan kan het goed zijn om wat afstand te nemen als toezichthouder, of om misschien de interne toezichthouder meer invloed te geven. Wel willen we de onrust voorkomen die zou ontstaan als we continu onze aanpak wijzigen, dus experimenteren we eerst op kleine schaal. We kijken waar het ons brengt. Werkt het, dan voeren we het door. Werkt het niet, dan proberen we wat anders en gaan we een volgend traject in. We blijven de proeftuinen voorlopig inzetten. Op deze manier zijn we continu in overleg met de ondertoezichtstaanden en bewegen we mee met de maatschappij. Het vermogen om te vernieuwen is essentieel als je relevant wilt blijven als toezichthouder.”

Met data een stap verder

Bij de nieuwe aanpak van de ILT hoort ook een grotere rol voor data. Sinds vorig jaar heeft de inspectie een afdeling Bronnen, die systematisch interessante databronnen in beeld brengt. “Als we het gebruik van data helemaal op de rit hebben, kunnen we flinke stappen zetten”, denkt Diesbergen. “Bijvoorbeeld rondom het verplaatsen van grond. Iedereen die grond verplaatst, moet dat melden bij een meldpunt. Daarvan zijn wij geen beheerder, maar we kunnen de data wel inzien. Hierdoor kunnen we die data plotten op een kaart en zien waar de grondstromen vandaan komen en heengaan.”
“Het vermogen om te vernieuwen is essentieel als je relevant wilt blijven als toezichthouder.”
Meren of plassen in Nederland zijn soms te diep, waardoor flora en fauna er niet goed kunnen leven. Dus moeten ze opgevuld worden. Een deel van de grond die daarbij wordt gebruikt, komt uit het buitenland. “Geïmporteerde grond moet bij ons aangemeld worden en de kwaliteit wordt steekproefsgewijs gecontroleerd. Dankzij het gebruik van data krijgen we meer mogelijkheden. Als we een melding krijgen dat er op een locatie vervuilde grond is gebruikt, kunnen we binnenkort door datagebruik zien waar de rest van die stroom grond naartoe is gegaan. Vervolgens kunnen we het bevoegd gezag inschakelen, om hopelijk te voorkomen dat de vervuilde grond op een andere locatie ook wordt gebruikt. We kunnen dus veel effectiever ingrijpen. Het kost ons minder tijd en mankracht, terwijl we ondertussen wél beter onze controlerende taken als toezichthouder uitvoeren. En dat is in ieders voordeel.”