Toezine

Wekelijkse verdieping voor professionals in toezicht, handhaving en inspectie

Bezig met laden...
Lang leve het experiment!

Gedragsbeïnvloeding moet op maat zijn, dus toegesneden op de doelgroep
Foto: Arie Kievit/Hollandse Hoogte

Lang leve het experiment!

Kennis van de gedragswetenschap beter benutten in het beleidsproces; de ambtelijke top van diverse ministeries ziet daar de zin van in. Wat daarvoor nodig is? Ruimte voor het experiment. Én betere samenwerking tussen overheid en onderzoek.

In het voorjaar van 2014 namen zo’n tweehonderd belangstellenden deel aan de interdepartementale kenniskamer gedragswetenschap. Senior-beleidsstrategen Bram van Dijk en Thomas Dirkmaat waren namens het ministerie van Economische Zaken (EZ) betrokken bij de voorbereiding. De uitkomst loog er niet om: SG’s en DG’s van de diverse departementen spraken zich tijdens een informeel overleg uit vóór de toepassing van gedragswetenschappelijke inzichten in het beleidsproces. Van Dijk en Dirkmaat zijn blij met die voorlopige opbrengst. “De effectiviteit van het overheidsbeleid kan een impuls krijgen door breder te analyseren welke mechanismen het gedrag van mensen bepalen”, beschrijft Dirkmaat de kern.

Toepasbaar in het toezicht

Juist in het toezicht tref je de omstandigheden aan waarin gedragsinzichten goed zijn toe te passen, denkt Dirkmaat. “In de controle op naleving zit de toezichthouder dicht bij de doelgroep en dus op de keuzes en het gedrag van mensen.” Van Dijk vult aan: “Een toezichthouder zoals de NVWA zet er doelbewust op in om handhavingsmaatregelen te differentiëren afhankelijk van de doelgroep.” Aandacht voor culturele verschillen bijvoorbeeld kan de naleving helpen bevorderen. “Het gaat erom na te denken over wat het gedrag van je doelgroep zou kunnen beïnvloeden. Betrek je hierin behalve rationele afwegingen ook gedragswetenschappelijke inzichten, dan kan je een rijkere analyse maken. Dat is nuttig als basis voor beleid, maar ook bij de keuze voor handhavings-instrumenten.”

Onbewuste mechanismen ‘tackelen’

“Traditioneel wordt bij overheidsbeleid veel uitgegaan van een rationeel mensbeeld. De gedragswetenschappen hebben dit bijgesteld en aangevuld”, legt Dirkmaat uit. Hoe dat in de beleidspraktijk kan doorwerken? “Een voorbeeld uit Engeland: onderzoekers kregen de opdracht om een week lang een werkplein van het Engelse ‘UWV’ te observeren. Wat ze zagen was hoe de procesbegeleiding voor werkzoekenden vooral bestond uit hulp bij het invullen van een serie formuleren om hun uitkering veilig te stellen. Mede op advies van de onderzoekers is de bureaucratie verminderd en is de vraag ‘hoe vind ik een baan’ weer centraal komen te staan. Werkzoekenden moesten in aanwezigheid van hun adviseur opschrijven welke acties ze zouden ondernemen. In tweewekelijkse gesprekken werd op de gemaakte afspraken teruggeblikt. De eerste resultaten suggereren dat deze aanpak effect heeft.”

Het belang van experimenten

Wat zou het integreren van gedragswetenschappelijke kennis voor het beleidsproces betekenen? “De gedragswetenschappen leren ons dat de context er toe doet. Op het eerste oog kleine details kunnen een groot effect hebben op het gedrag”, formuleert Van Dijk. Een slag om de arm is op zijn plaats vindt Dirkmaat: “Het is onmogelijk om vooraf met zekerheid te zeggen of een interventie zal werken, zelfs al zijn er goede redenen om op basis van de literatuur te denken dat dit wel zo is. Daarom is het belangrijk om vooraf middels een beleidsexperiment te achterhalen of de interventie daadwerkelijk het beoogde effect heeft.”

WRR-rapport en kabinetsreactie

Hoe kan de overheid ervoor zorgen dat de nieuwe gedragswetenschappelijke kennis de aandacht en positie in de beleidsvorming en uitvoering krijgt die zij verdient? Het is één van de vragen die de interdepartementale kenniskamer aan het adres van de WRR heeft gesteld. De Raad presenteerde op 10 september het advies ‘Met kennis van gedrag beleid maken’.

Aan de Tweede Kamer is voor dit najaar bovendien een officiële kabinetsreactie toegezegd, dit in antwoord op onder meer adviesrapporten vanuit de Raad voor leefomgeving en infrastructuur en de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling.

Lees ook 'Goed gelezen'
of download het rapport.

Geldigheid in de ‘echte’ wereld

De gedragswetenschappen hebben de afgelopen decennia weliswaar interessante inzichten opgeleverd, belangrijke vraag is hoe de bruikbaarheid voor beleidsmakers kan worden vergroot. “Universiteiten doen veel onderzoek in een laboratorium-setting. Het zou goed zijn om dit meer te verplaatsen naar de praktijk. Dan weet je hoe geldig uitkomsten zijn in de echte wereld”, aldus Dirkmaat. Een ander aspect is dat academische literatuur primair gericht is op de beslissingen van individuen. Van Dijk: “Terwijl voor beleidsmakers het ook belangrijk is om te weten in hoeverre gedragsinzichten relevant zijn voor de beslissingen die organisaties en bedrijven nemen. Dit is een nog grotendeels braakliggend terrein.”