Toezine

Wekelijkse verdieping voor professionals in toezicht, handhaving en inspectie

Bezig met laden...
Kennisagenda krijgt warme ontvangst

Het dossier Odfjell laat zien dat onderhandelingstoezicht risico’s meebrengt
Foto: Ries van Wendel de Joode / Hollandse Hoogte

Kennisagenda krijgt warme ontvangst

Is er steun voor het idee om met alle inspecties één gezamenlijke kennisagenda op te stellen en uit te werken? En, zo ja, welke thema’s moeten daar zeker op staan? Om er achter te komen, nam de Inspectieraad het initiatief voor de conferentie Kennisagenda Rijksinspecties.

Op 4 november 2014 toonden ruim 225 beleidsmakers, wetenschappers en toezichthouders zich enthousiast mee te denken over een gemeenschappelijke kennisagenda. De deelnemers vormden een interessante dwarsdoorsnede van wat er in het Nederlandse toezicht leeft. Wat hen motiveert is de gemeenschappelijke behoefte om meer kennis over effectiviteit van toezicht te krijgen, en om die kennis actiever met elkaar te delen. Of zoals een deelnemer later op de dag zou zeggen: ‘risicoanalyse doen we allemaal, maar waarom delen we niet veel meer van onze methoden en resultaten?’

Ingewikkelde relatie tussen onderzoek en praktijk

Dagvoorzitter Annette Roeters, inspecteur-generaal van het Onderwijs en lid van de Inspectieraad, trapte de conferentie Kennisagenda Rijksinspecties af. “We willen lerende, maar ook levende organisaties zijn”, stelde zij vast. Centrale vraag wat haar betreft: hoe kan kennisbundeling de inspecties helpen samen aan kracht te winnen, en is een kennisagenda daar een geschikte methode voor? Jazeker, meende Pauline Meurs, voorzitter Raad voor de Volksgezondheid en Zorg. Wel stelde zij in haar inleiding met nadruk dat onderzoeksresultaten een halffabricaat zijn. “Er is een ingewikkelde relatie tussen wetenschap, beleid en praktijk. We moeten meer investeren in de toepasbaarheid van onderzoek”, luidde haar pleidooi.

Data gecoördineerd verwerken en gebruiken

In diverse inspiratieworkshops kregen deelnemers inzicht in onderzoek dat plaatsvindt, en in de ontwikkeling van instrumenten. Een pleidooi dat bij herhaling klonk was om meer samen op te trekken en gezamenlijke kennissystemen in te richten: gecoördineerd verzamelen, verwerken en gebruiken van data wordt dan mogelijk. Maar automatiseren en modelleren van data is een tijdrovend proces, zo blijkt. Toch lijkt het onontkoombaar om er gebruik van te maken vond ook Freek van Zoeren, plaatsvervangend inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). “Bij ons gaat het om zulke grote aantallen van ondertoezichtstaanden dat je wel móet automatiseren. De vraag is dan: hoe zet je daar modellen voor in die zowel wetenschappelijk verantwoord als toepasbaar zijn?”

Geen onderhandelingstoezicht s.v.p.!

Later op de middag was het woord aan Marjolein van Asselt. De hoogleraar Risk Governance en lid van de Onderzoeksraad voor Veiligheid sprak in scherpe bewoordingen over wat er in het toezicht beter kan, en – soms – ook beslist beter moet. “Onderhandelingstoezicht is niet zoals het moet”, zei ze met een verwijzing naar hoe in een casus als Odfjell de inspectie te weinig doorpakte. “We hebben meer praktijkgerichte kennis nodig over de effectiviteit van ons toezicht.” Ook voor deelnemers bleek goed onderzoek geen luxe, maar eerder noodzaak te zijn. “Alleen met behulp van een gedegen analyse kun je als toezichthouder daar interveniëren waar én de maatschappelijke risico's én de kans op overtreding het grootst zijn”, aldus Linda van Rooij van de NVWA. Ze presenteerde de uitkomsten van het onderzoek ‘Broodje Shoarma’, over het effect van verschillende interventies op de naleving.

Huiswerk voor de Inspectieraad

Na de speeches en inspiratieworkshops van de ochtend gingen tijdens het middagprogramma deelnemers in expertsessies met elkaar het gesprek aan. Dat leverde voor de kennisagenda onderzoeksvragen op als:
  • Hoe komt het dat burgers zichzelf zo weinig verantwoordelijk voelen voor de kwaliteit en veiligheid van publieke voorzieningen, zoals zorg en onderwijs? En heeft de toezichthouder een rol om dit om te buigen?
  • Hoe zijn de taken van inspecties aan het veranderen, en wat betekent dit voor de nieuwe rollen en benodigde competenties van de inspecteur?
  • Is het wenselijk dat de diverse inspecties verschillend gepositioneerd zijn ten opzichte van het beleidsdepartement? En welke consequenties heeft die positionering op een thema als onafhankelijkheid van toezicht?

Aan ‘onderzoekwaardige’ onderwerpen voor een te vormen kennisagenda blijkt geen gebrek te zijn. De Inspectieraad kon de dag dan ook afsluiten met de conclusie dat een kennisagenda op brede steun kan rekenen. Welk vervolg dit gaat krijgen, dat moet nog blijken.