Toezine

Wekelijkse verdieping voor professionals in toezicht, handhaving en inspectie

Bezig met laden...
Rob van Lint, inspecteur-generaal NVWA: “Toezicht is niet voor bange mensen”

Rob van Lint, inspecteur-generaal NVWA: “Toezicht is niet voor bange mensen”

“De inspecties gaan beter samenwerken, zodat betere handhaving gepaard gaat met minder administratieve lasten en toezichtlasten.” Met die opdracht uit het regeerakkoord begon Rob van Lint op 18 januari 2018 zijn toespraak tijdens de nieuwjaarsbijeenkomst van Vide. Hij nam de aanwezigen mee in zijn ervaringen met toezicht. Met als centrale vraag: hoe voldoe je als toezichthouder aan je opdracht, ook als je te maken hebt met tegengestelde belangen?

“De aandacht voor toezichthouders in het regeerakkoord bevestigt de politieke aandacht en het belang van toezicht in het politieke en maatschappelijke bestel in Nederland”, constateerde Van Lint. “Krachtenvelden van verschillende belangen maken dat het niet altijd even makkelijk is om de opdracht uit het regeerakkoord uit te voeren. Wat ik de afgelopen periode bij de NVWA heb ervaren, is dat onze omgeving, nationaal en internationaal, uiteenlopende verwachtingen heeft. Soms liggen die in elkaars verlengde, soms staan die op gespannen voet met elkaar. Deze verwachtingen worden manifest en publiek tijdens incidenten en crises – denk aan de recente fipronilaffaire. Autoriteit en recht van spreken moet, anders dan voorheen, verdiend worden.”
“Onze omgeving, nationaal en internationaal, heeft uiteenlopende verwachtingen. Soms liggen die in elkaars verlengde, soms staan die op gespannen voet met elkaar.”
Volgens Van Lint zijn er ruwweg drie aspecten die de krachtvelden illustreren, en die toezichthouders kunnen aangrijpen om voor verbetering te zorgen. Namelijk: internationalisering, responsiviteit in combinatie met transparantie en verantwoordelijkheid van bedrijven of sectoren versus die van een toezichthouderaansprakelijkheid.

Internationalisering

“In een wereld met toenemend handelsverkeer en minder grenzen is internationale samenwerking onontbeerlijk”, aldus Van Lint. “De fipronil-zaak heeft ons geleerd dat de internationale coördinatie soms ingewikkeld verloopt. Het Rapid Alert System on Food and Feed, het belangrijkste systeem voor de uitwisseling van risico’s en gevaren op het gebied van voedsel en dierenvoeding, kan alleen functioneren als aangesloten landen elkaar uitputtend op de hoogte brengen van problemen, bijvoorbeeld met fipronil. In de praktijk blijkt echter dat niet alle landen dezelfde risico-inschattingen maken.”
Van Lint benadrukte in zijn speech dat de NVWA en haar directe buitenlandse partners elkaar over het algemeen wel vinden, en dat dit vermoedelijk bij veel andere diensten ook het geval zal zijn. Toch pleit hij voor een stevigere rol voor de Europese Commissie. “Het belang van de voedselveiligheid mag nooit ten koste gaan van andere belangen, zoals die van de handel. Dat zeg ik niet als beschuldiging naar anderen, maar als basisvoorwaarde voor ons werk.”

Responsiviteit

Hoe kunnen toezichthouders omgaan met de maatschappelijke opgave op het gebied van transparantie en interactie? Om deze discussie te voeden, heeft de Inspectieraad onderzoekers van de Universiteit Utrecht gevraagd kennis en ervaringen uit te wisselen over de ontwikkeling van omgevingsgerichte strategieën en praktijken bij inspecties: hoe gaan inspecties om met hun maatschappelijke omgeving? “Op grond van deze verkenning is duidelijk geworden dat één uniform transparantie- of interactiebeleid voor inspecties niet alleen onrealistisch is, maar ook onwenselijk”, stelde Van Lint. “Daarvoor zijn er te veel verschillen in wettelijk kader, sector, type toezichtinformatie en type omgeving. Wel is duidelijk dat er nog veel te winnen valt in de omgevingsgerichtheid van inspecties. Inspecties kunnen transparanter zijn en beter beargumenteren wat ze daarmee precies willen bereiken. Het is niet een kwestie van zoveel mogelijk informatie ter beschikking stellen, maar van een informatie-omgeving die burgers en instellingen helpt om hun eigen kwaliteitsoordelen te vellen, maatschappelijke controle op organisaties te verbeteren en een dialoog te voeren.”
“Internationalisering, responsiviteit in combinatie met transparantie en verantwoordelijkheid van bedrijven of sectoren kunnen toezicht moeilijk maken, maar ze kunnen het ook juist verstevigen.”
Van Lint schetste dat de NVWA zelf een overlegstructuur heeft opgezet met zowel het bedrijfsleven als de NGO’s. “We hebben bijvoorbeeld onze Integrale RisicoAnalyse Zuivel vóór publicatie met zowel bedrijfsleven als NGO’s besproken. Wat ik wil, is dat ook het gesprek tussen bedrijfsleven en NGO’s op gang komt. We houden niet alleen toezicht op vele tienduizenden bedrijven; we hebben óók te maken met bedrijfsbelangen. Het blijft een lastige kwestie: hoe maak je de toezichtresultaten openbaar zonder het ene bedrijf te benadelen ten opzichte van het andere?”

Verantwoordelijkheid

“Bedrijven die private kwaliteitssystemen invoeren, krijgen zodoende verantwoordelijkheid op hun schouders,” zo leidde Van Lint het derde en laatste aspect van het zogenoemde krachtenveld in. “In hoeverre is een toezichthouder zijn broeders hoeder, en hoe ga je om met private kwaliteitssystemen? Moet je toezicht houden op toezicht? Wellicht ligt hier de kiem voor een nieuwe en andersoortige relatie met sectoren. En wellicht brengt die een nieuw perspectief boven: een toezichthouder die niet alleen gericht is op het toezien op naleving in relatie tot bekende nieuwe risico’s, maar die ook zicht wil hebben op nieuwe risico’s en die wil agenderen.”

Niet voor bange mensen

Afrondend deed Van Lint een oproep aan alle toezichthouders: “Deze drie aspecten van het krachtenveld kunnen toezicht moeilijk maken. Toezicht is niet voor bange mensen. Maar we kunnen ze ook aangrijpen om ons toezicht juist te verstevigen. Door meer internationaal aan de slag te gaan; transparanter en met interactie tussen toezichthouders onderling en het bedrijfsleven.”