Van “Jullie doen toch alleen routinecontroles in slachthuizen?” tot “Vast een saaie boel daar”. Studenten Diergeneeskunde hebben niet altijd een goed beeld van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Terwijl ze later in hun werk wél met de toezichthouder te maken krijgen. Om die kloof te dichten, ontwikkelden de NVWA en de Universiteit Utrecht een keuzevak waarin studenten diergeneeskunde ervaren wat de toezichthouder doet.

Melding doen van vogelgriep op een pluimveehouderij, de eigenaar adviseren over de export van een paard of een correcte antibioticaregistratie in hun kliniek. “Alle dierenartsen krijgen te maken met de NVWA”, vertelt Sylvia Bannier-Strik, beleidsadviseur NVWA en contactpersoon voor de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht. Toch weten studenten vaak weinig over de toezichtkant van het vak, merkt Bannier-Strik.
“Na mijn studie diergeneeskunde combineerde ik mijn werk als beleidsadviseur voor de NVWA met lesgeven aan de faculteit”, vertelt ze. “Als ik iets vertelde over toezicht, keken studenten me soms glazig aan. Ook wisten ze vaak niet dat er bij ons ongeveer 600 dierenartsen werken die allemaal toezicht houden op dierenwelzijn, diergezondheid en voedselveiligheid. Daarmee zijn we een van de grootste werkgevers voor dierenartsen. Dus hoe eerder we studenten laten kennismaken met de NVWA, hoe beter ze voorbereid zijn op het werkveld.”
De NVWA en de Universiteit Utrecht
De Universiteit Utrecht is de enige universiteit in Nederland met een faculteit Diergeneeskunde. Om wetenschap, onderwijs en toezicht dichter bij elkaar te brengen, werken de faculteit Diergeneeskunde en de NVWA sinds 2019 samen binnen het programma ‘Academische Verbinding’. De samenwerking bestaat uit drie pijlers: nascholing voor NVWA-dierenartsen, onderzoek en de ontwikkeling van onderwijs voor studenten.
De paden op
Om studenten meer te leren over het diverse werk van de NVWA, ontwikkelde Bannier-Strik voor masterstudenten het keuzevak Toezichthouderschap. “Vijf weken lang dompelen we hen onder in theorie én praktijk. Via een e-learning leren ze wat toezicht is, wat de NVWA doet en welke wet- en regelgeving relevant is. Ook krijgen ze inzicht in de maatschappelijke rol van toezicht. We beginnen breed en werken steeds meer toe naar diergeneeskundige onderwerpen.”
“Vijf weken lang dompelen we studenten onder in de theorie en de praktijk van toezicht.”
Maar de meeste tijd besteden studenten in de praktijk. “Je kunt vertellen wat we doen, maar het maakt meer indruk als je het zélf ziet en doet. Door bijvoorbeeld mee te gaan met een dierenarts die paarden keurt voor de export of varkens controleert voor de slacht. Of met een dierenwelzijnsinspecteur die ingrijpt bij een hondenfokker.” Tussendoor bezoeken de studenten het Innovatielab van de NVWA. Hier maken ze kennis met technologische ontwikkelingen, zoals het gebruik van drones bij het inspecteren van agrarische gebieden. Ook kan er een bezoek aan de rechtbank op het programma staan, waar bijvoorbeeld een veehouder bezwaar maakt tegen een opgelegde boete van de NVWA.

Van weipoeder tot zalmkwekerij
Bannier-Strik zorgt voor een afwisselend programma voor elke student. Bovendien houdt ze rekening met hun interesses. “Zo was er een student die meer wilde leren over dierziekten. Die koppelde ik aan een gespecialiseerd dierenarts die langsgaat bij veehouderijen waar vogelgriep heerst.” Maar studenten belanden ook in een zalmkwekerij of in de haven van Rotterdam. “Daar controleren onze dierenartsen dierlijke producten als kippenvlees, jachttrofeeën of weipoeder voor bodybuilders. Het gaat dan om toezicht op plekken waar je als student misschien nooit aan had gedacht.”
“Dierenartsen van de NVWA vinden het hartstikke leuk om te laten zien wat ze doen.”
Daarnaast maken studenten kennis met de beleidskant. “Ze verdiepen zich in een actueel thema, zoals een wetswijziging of maatschappelijke kwestie, en onderzoeken de invloed daarvan op toezicht. Zo laten we alle kanten van toezicht zien en ervaren ze hoe divers het werk is.” Die bredere blik sluit aan bij deze generatie studenten, ziet Bannier-Strik. “Ze zijn vaak breed georiënteerd en willen hun diergeneeskundige kennis inzetten in de maatschappij. Wij laten zien dat je als afgestudeerd dierenarts allerlei kanten op kunt.”
Enthousiaste dierenartsen
De NVWA-dierenartsen nemen de studenten graag mee op sleeptouw, merkt Bannier-Strik. “Veel dierenartsen vinden het hartstikke leuk om studenten te laten zien wat ze doen. Sommigen vragen zelfs of de afdeling Planning een extra afwisselend programma wil maken, zodat de student zoveel mogelijk meekrijgt. Die bevlogenheid voelen studenten.”
Verrassend inzicht
Studenten komen dan ook enthousiast terug van die praktijkdagen. “Ze beseffen daarna dat toezicht niet alleen gaat over regels controleren. En dat we dus niet alleen maar met ons vingertje wijzen naar wat er niet goed gaat. Ze ontdekken dat toezicht juist ook gaat over communicatie en samenwerking. Veel studenten zijn verrast dat we vaak goed contact hebben met ondertoezichtstaanden. En dat we vooral samenwerken, in plaats van alleen maar tegenover elkaar staan.”
“Het keuzevak bereidt studenten voor op het werkveld en maakt nieuwsgierig naar een carrière binnen toezicht.”
Veel animo
Elk jaar kunnen vijftien studenten het keuzevak volgen. Die plekken zijn altijd razendsnel vergeven. “We hebben nog niet precies in beeld wat het vak op de lange termijn oplevert, omdat veel studenten nog niet zijn afgestudeerd. Maar de eerste student die het vak volgde, werkt inmiddels bij de NVWA. Dat is niet ons hoofddoel, maar het laat zien dat het keuzevak studenten voorbereidt op het werkveld en nieuwsgierig maakt naar een carrière bij ons.”
Blik op de toekomst
Bannier-Strik wil het liefst meer studenten toelaten tot het keuzevak. “De animo is er, maar we hebben niet altijd genoeg tijd, mensen en middelen om studenten te begeleiden.” Daarnaast hoopt ze het keuzevak in de toekomst te kunnen ontwikkelen voor Belgische masterstudenten. “Veel Belgische dierenartsen komen in Nederland werken, voor hen is zo’n vak ook interessant. Hoe meer studenten we bereiken, hoe groter de groep dierenartsen die voorbereid aan de slag gaat.”