Ga naar de inhoud

Hoe de NEa fraude tegengaat in de biobrandstofketen

Nul procent CO2-uitstoot door wegverkeer. Dat is de Europese ambitie voor 2050. De elektrische auto moet dat mogelijk maken. Maar zolang hiervoor de infrastructuur nog niet gereed is, blijven we voor het verminderen van de CO2-uitstoot afhankelijk van biobrandstoffen. De biobrandstofketen is internationaal en daarmee gevoelig voor fraude. Hoe pakt de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) dit aan?

Afbeelding van twee mannen bij een centrale voor biobrandstof

Laat één ding duidelijk zijn: biobrandstof is een tijdelijke oplossing. Volledig CO2-neutraal wegverkeer in 2050 is met biobrandstoffen niet mogelijk. Hoewel deze hernieuwbare brandstof minder slecht is dan zijn fossiele grote broer, stoot het wegverkeer hiermee nog steeds CO2 uit. Tot er een volledige infrastructuur is voor elektrisch rijden en iedereen een elektrische auto heeft, is Nederland met name aangewezen op biobrandstoffen om CO2-uitstoot door wegverkeer terug te dringen.

Biobrandstoffen

Biodiesel, bio-ethanol en biogas zijn voorbeelden van biobrandstoffen en worden gemaakt van biomassa. In Nederland bestaan ze uit:

  • Gewassen: mais, koolzaad, suikerriet.
  • Afvalstoffen: gebruikt frituurvet, zetmeelslurry, putvet, flotatieslib.

In Nederland wordt 85 procent van de biobrandstoffen gemaakt van afvalstoffen. Het kabinet stimuleert dit ook, onder meer om landbouwgrond te sparen.

Verplichte omslag

Leveranciers van brandstoffen moeten jaarlijks verplicht een deel van hun fossiele brandstoffen vervangen door hernieuwbare alternatieven, zoals biodiesel en bio-ethanol als alternatief voor benzine. Dat deel loopt jaarlijks op van 17.9 procent in 2022 naar 28 procent in 2030. “Bij de benzinepomp herken je het percentage biobrandstof aan de labels op de pomp”, vertelt Harry Geritz, hoofd Energie voor Vervoer bij de NEa. “B7 staat voor maximaal 7 procent biobrandstof in diesel. E5 en E10 voor het percentage ethanol in benzine.”

Het controleren van die jaarverplichting is een van de taken van de NEa. “Het is grotendeels administratief werk”, zegt Geritz. “Zo vergelijken we accijnsaangiftes van leveranciers en controleren we de administratie. Inspecteurs hebben dan ook vaak een achtergrond in de accountancy. Daarnaast doen we fysieke inspecties, door monsters van biobrandstoffen te nemen. Door koolstofanalyse kunnen we vaststellen of er biobrandstof is bijgemengd.”

Toezicht versterken

Nederland is een van de belangrijkste exporteurs van biobrandstoffen in Europa. De NEa waardeert de inspanning van (bio)brandstofleveranciers om het vervoer te verduurzamen. Geritz: “Bedrijven doen het goed, ondanks complexe wet- en regelgeving. We ondersteunen hen hier ook zo goed mogelijk bij. We verlenen compliance assistance en geven voorlichting.”

Maar hoe toeleveranciers verder terug in de keten het doen, daar krijgt de NEa lastiger zicht op. Geritz noemt de internationale keten van biobrandstoffen gevoelig voor fraude, vanwege de bedragen die erin omgaan. Leveringen van hernieuwbare energie aan de Nederlandse vervoersmarkt kunnen geregistreerd (ingeboekt) worden in het register van de NEa. “Hier staan hernieuwbare brandstofeenheden (HBE’s) tegenover. Die eenheden kunnen ook verhandeld worden. In totaal is de waarde van de HBE’s nu al 1,5 miljard euro per jaar.

Een andere financiële prikkel is het enorme prijsverschil tussen fossiele en duurzame biobrandstoffen. Met het omkatten van grondstoffen naar afvalstoffen kan veel verdiend worden. Evenals met het als duurzaam labelen van niet-duurzame brandstoffen.”

“Het is lastig om de keten compleet in beeld te krijgen”

Stel, een biobrandstof producerend bedrijf gebruikt Chinees frituurvet. Hoe weet de NEa of dat afgedankt vet is of speciaal voor biobrandstof geproduceerd, ongebruikt vet? “Daarvoor moeten we de keten in en die krijgen we maar moeilijk compleet in beeld”, zegt Geritz.

“Twee jaar geleden kregen we de opdracht om de keten in beeld te brengen. Daarvoor werken we samen met verschillende partners. Ten eerste met de bedrijven in Nederland die de grondstoffen afnemen van toeleveranciers. Het is hun verantwoordelijkheid om de herkomst van de grondstof te verifiëren. Ten tweede met de private toezichthouders in de landen waar toeleveranciers actief zijn. Deze auditors controleren volgens een privaat duurzaamheidsschema alle gecertificeerde schakels in de wereld.

Dat toezicht hebben we versterkt. Samen met de andere EU-lidstaten zien we toe op het werk van de auditors. En ten derde werken we samen met andere toezichthouders, zoals de NVWA, Douane en ILT-IOD. Zij hebben veel kennis van fraude in internationale ketens. Tot slot werkt de NEa ook samen in Europees verband. Zo is de Europese Commissie bezig met een datasysteem waarin alle biobrandstoffen geregistreerd zullen worden.”

Fraude blootleggen

De Europese lidstaten moeten zich houden aan Europese wet- en regelgeving voor biobrandstoffen, maar die slagkracht is beperkt, vindt Geritz. “Die regels scheppen vooral een kader voor toezicht op hernieuwbare energie. Maar landen interpreteren dat kader vervolgens op hun eigen manier. Dat is begrijpelijk, ieder land heeft zijn eigen focus en risico’s.

Zo is Nederland vanwege de haven in Rotterdam een belangrijk doorvoerland voor grondstoffen. En geen enkel ander Europees land stimuleert in zo’n sterke mate biobrandstoffen uit afvalstoffen. We werken daarom nu in Europa samen om het waterbedeffect te voorkomen – activiteiten die zich door succesvolle aanpak in het ene land verplaatsen naar het andere land. Hiervoor is de toezichtscapaciteit verdubbeld. In 2021 tekenden Nederland, België, Duitsland, Frankrijk en Luxemburg bovendien een convenant voor beter toezicht op biobrandstof. Dat was onder meer op initiatief van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en de NEa.”

“Het helpt als we blootleggen dat er gefraudeerd wordt. Dat straalt ook uit richting het buitenland”

De aanpak van fraude is van belang om het publiek vertrouwen in biobrandstoffen niet kwijt te raken. De veroordeling in een grote fraudezaak bij het bedrijf Biodiesel Kampen heeft een afschrikwekkende werking voor bedrijven. In 2021 kregen de directeur en een aantal medewerkers een celstraf opgelegd.

Momenteel loopt er weer een onderzoek naar fraude bij een bedrijf, dit keer in Emmen. “Het OM roept graag de hulp in van de NEa bij strafzaken, vanwege onze kennis en om complexe wet- en regelgeving te duiden”, zegt Geritz. “Het helpt als we blootleggen dat er gefraudeerd wordt. De NEa doet altijd aangifte bij een dergelijk vermoeden. Dat straalt ook uit naar het buitenland. Hierdoor krijgen we meer voor elkaar, het convenant in Luxemburg is daar een teken van.”

“De markt kan prima een goede informatiebron zijn, zonder dat je bij ze op schoot zit”

Optrekken met de markt

Tot slot heeft Geritz nog een advies voor andere toezichthouders: ‘omarm de markt’. “Als NEa geven we veel vertrouwen aan marktpartijen, het overgrote deel wil hun best doen en een goede naam houden. Bedrijven hebben er geen belang bij om fraude te faciliteren. Als het uitkomt, lopen ze grote imagoschade op en halen ze hun jaarverplichting niet. Ze hebben bovendien baat bij een level playing field. Doordat we als NEa onze zorgen en dilemma’s delen met bedrijven, kunnen zij ons helpen fraude tegen te gaan. Hun kennis kan ons verder helpen: ze kennen de risico’s en kunnen die inschatten. Marktpartijen kunnen prima een goede informatiebron zijn, zonder dat je bij elkaar op schoot zit. Zolang je maar heel duidelijk bent in welke hoedanigheid je met elkaar om tafel gaat.”