Ga naar de inhoud

Hoe prioriteer je bij risicogericht toezicht?

Ieder risico krijgt de aandacht die het verdient, dat is het idee van risicogebaseerd toezichthouden. Zo kun je de – vaak beperkte – capaciteit efficiënter inzetten en ontlast je welwillende ondertoezichtstaanden. Een logische aanpak, maar hoe bepaal je als toezichthouder wat de belangrijkste risico’s zijn? En zijn medewerkers tevreden over de geprioriteerde risico’s?

Diverse handen sorteren samen geeltjes

Risico’s prioriteren is een lastige opgave. Hoe kom je bijvoorbeeld tot de juiste prioriteiten als er over de risico’s weinig bekend is? Bovendien is men het lang niet altijd eens over de ernst van een bepaald risico. Toch werken vrijwel alle toezichthouders op een risicogerichte wijze en maken zij daarbij onderscheid in belangrijke en minder belangrijke risico’s. Ewald de Bruijn en Geert Teisman van de Erasmus Universiteit Rotterdam onderzochten hoe inspecties bepalen aan welke risico’s ze aandacht moeten geven en welke factoren aan die keuze bijdragen. Via een survey onder medewerkers hoopten zij daarnaast antwoord te krijgen op de vraag welke wijzen van prioritering bij hen leidt tot tevredenheid.

“Bij het prioriteren van risico’s onderscheiden we een open en gesloten aanpak.”

Weten of onderzoeken

“Bij het prioriteren van risico’s onderscheiden we een open en gesloten aanpak”, vertelt Ewald de Bruijn. “Toezichthouders die een gesloten aanpak gebruiken, verdelen de aanwezige capaciteit over risico’s die ze (denken te) kennen. Dat doen ze op basis van modellen, databases en cijfers: formele kennis dus. Hoewel ze ervan uitgaan de risico’s te kennen, nemen ze de eventuele onzekerheid weg door meer informatie te verzamelen. Meten is weten. Daartegenover staan toezichthouders met een open aanpak. Zij gaan ervan uit dat ze de risico’s nog níet kennen. Om die te leren kennen, varen ze op expertise en ervaring. Zowel van de eigen medewerkers als kennis uit het veld. Dit is een meer onderzoekende manier.”

Bepalende factor

Een ‘goede’ of ‘foute’ manier is er niet, legt De Bruijn uit. “Wat ‘goed’ is, verschilt niet alleen per toezichthouder, maar zelfs per afdeling bínnen een toezichthouder. We onderzochten negen onderdelen van vier toezichthouders en kwamen tot de conclusie dat wat de beste aanpak is, afhangt van vijf verschillende factoren. Een van die factoren is de complexiteit van de risico’s. Bij minder complexe risico’s werkt het goed om gesloten aanpak te gebruiken. Hoe complexer, hoe lastiger het is om de ernst van het risico te bepalen. Hoeveel data je ook tot je beschikking hebt. Ook als er maatschappelijke onenigheid is over het belang van een risico gaan meer data, de gesloten manier dus, je niet verder helpen. Dan kun je beter voor de open aanpak kiezen.”

“Wat ‘goed’ is, verschilt niet alleen per toezichthouder, maar zelfs per afdeling bínnen een toezichthouder.”

Een andere factor is de houding van ondertoezichtstaanden. Als zij zich welwillend en zelfreinigend opstellen, dan kunnen ze meedenken over de vraag wat de juiste prioritering is. “Kennis buiten de deur vragen kan voor toezichthouders best spannend zijn, onafhankelijkheid staat bij hen immers hoog in het vaandel. Maar in een volwassen sector hoeft zo’n aanpak absoluut geen probleem te zijn”, vindt De Bruijn. “Dat maakt goede prioritering wel een proces van lange adem, omdat ondertoezichtstaanden vaak nog in hun rol moeten groeien en relaties moeten worden opgebouwd. Heb je te maken met een sector die onwillend is om iets te doen aan risico’s die de toezichthouder aankaart, is een gesloten aanpak de betere keuze.”

Accepteer de statistieken, marketing cookies om deze content te bekijken.
Ewald de Bruijn vertelt over het onderzoek

Naast deze twee factoren, onderscheiden De Bruijn en Teisman nog drie belangrijke factoren die bepalen of een toezichthouder het best voor een open of gesloten aanpak kan kiezen. Dat zijn de politiek-maatschappelijke context, de kenmerken van de sector waarop toezicht wordt gehouden en de juridische context waarbinnen een toezichthouder opereert.

Tevreden werknemers

Wat wanneer de beste aanpak is, is één ding. Maar kunnen medewerkers zich in die keuzes vinden? Dat onderzochten De Bruijn en Teisman door 332 medewerkers ernaar te vragen. Het onderzoek bevestigde dat de complexiteit van risico’s prioritering moeilijker maakte. “Maar we ontdekten ook een aantal opvallende dingen”, vertelt De Bruijn. “Zo bleken medewerkers de afnemende keuzevrijheid minder erg te vinden dan gedacht. Vroeger hadden inspecteurs meer discretionaire bevoegdheid: de vrijheid om naar eigen inzicht een besluit te nemen.”

“Inspecteurs vinden het belangrijk dat hun expertise meeweegt in een keuze.”

Inspecteurs vinden het wél belangrijk dat hun expertise meeweegt in een keuze. “Maar of ze zélf die keuze wel of niet mochten maken, vinden ze minder relevant. Daarnaast hangt de mate waarin risico’s volgen uit wet- en regelgeving sterk samen met een hoge tevredenheid. Dat is onverwachts, omdat risicogestuurd toezicht juist uitgaat van het idee dat niet de wet leidend is voor welke risico’s de meeste aandacht moeten krijgen.”

Inzichten

“Dit onderzoek kan een inspectie of toezichthouder inzicht bieden in wat je van risicogericht toezicht mag en kunt verwachten en hoe je er invulling aan kunt geven”, legt De Bruijn uit. “Onze belangrijkste boodschap is dat risicogericht toezicht altijd een kwestie van maatwerk per organisatie en afdeling is. Wij leveren met dit onderzoek een bijdrage aan de theorievorming rond risicogericht toezicht en laten zien hoe dat maatwerk eruitziet.”

Van congres naar publicatie

De Bruijn en Teisman voerden dit onderzoek uit in opdracht van het programma Handhaving en Gedrag. Dit programma richt zich op de ontwikkeling en verspreiding van wetenschappelijke kennis over gedrag in relatie tot regelnaleving. De Bruijn besprak de voorlopige resultaten van het onderzoek eerder tijdens het congres Handhaving en Gedrag op 1 november 2018.

Download de volledige publicatie

Lees ook: