Ga naar de inhoud

Geef toezichthouders de ruimte om van elkaar te leren

Nieuwe toezichthouders opleiden is één ding. Maar hoe worden ze daarna vakmensen, zeker nu ervaren collega’s uitstromen en de werkdruk hoog is? Auditor en opleider Arie Peters kijkt mee met inspecteurs van omgevingsdiensten. Zijn belangrijkste les is breder toepasbaar: goed toezicht leer je vooral in de praktijk én van elkaar. De meeste omgevingsdiensten kunnen daar nog sterk in verbeteren.

Auditor en opleider Arie Peters

Stel: je hebt net je opleiding afgerond en een paar keer met een ervaren collega meegelopen. Nu ga je zelf op pad. Je bezoekt een bedrijf dat gevaarlijke stoffen opslaat. Welke stoffen zijn er precies aanwezig? Mogen die zo dicht bij elkaar opgeslagen worden? Wat zegt de vergunning? En wat doe je als de ondernemer je tijdens de controle allerlei vragen stelt? “Het wordt vaak onderschat wat er allemaal bij zo’n inspectie komt kijken”, stelt Peters. “Je moet naast kennis ook veel ervaring hebben om de juiste gesprekken te voeren en te weten wat je moet zien.”

“Een inspecteur moet meters maken, ervaring opdoen, fouten maken en daarvan leren”, vervolgt Peters. Nieuwe toezichthouders bij omgevingsdiensten worden volgens hem nog te vroeg zelfstandig op pad gestuurd. “Soms loopt een ervaren medewerker maar één keer mee. Maar als je één controle zelfstandig doet, beheers je het vak nog niet. Managers binnen toezichtorganisaties moeten bewust tijd vrijmaken voor begeleiding door hier expliciet ruimte voor te maken in hun jaarplanning.”

Die begeleiding is óók belangrijk voor de kwaliteit van het toezicht. “Het is van belang dat de uitkomst van een controle zo goed als hetzelfde is, onafhankelijk van welke inspecteur hem uitvoert. Dat moet je als inspecteur leren. Van je opleiding, maar vooral in de praktijk.”

Ervaring moet je ervaren

Het best bieden ervaren toezichthouders die begeleiding, weet Peters. Zelf heeft hij ruim 25 jaar ervaring binnen het VTH-stelsel, onder meer als inspecteur en teamleider. Nu werkt hij als adviseur, auditor en opleider.

Als je met een ervaren toezichthouder meeloopt – of die inspecteur met jou – dan zie je volgens Peters dingen die lastig uit een boek te leren zijn. “Dat merk je al meteen aan hoe iemand zijn controle opbouwt en het gemak waarmee hij zijn vak uitoefent.” Zo’n toezichthouder anticipeert als een gesprek anders loopt dan gedacht, maakt oogcontact, weet wanneer hij moet doorvragen en merkt wanneer een ondernemer ergens enthousiast of juist terughoudend op reageert.

“Als je meeloopt met een ervaren toezichthouder zie je dingen die je niet leert uit een boek.”

Daarbij betekent goed toezicht niet dat het gesprek onaangenaam hoeft te zijn. Peters ziet ervaren toezichthouders ontspannen met een ondernemer praten en tegelijkertijd duidelijk zijn over ieders rol. “Je kunt een goede controle uitvoeren met wederzijds respect. Dat betekent daarnaast ook dat je niet het probleem van de ondernemer overneemt, zoals veel onervaren toezichthouders wel doen. De kunst is weten wanneer je helpt met uitleg en wanneer je zegt: dit is uw verantwoordelijkheid.”

Organiseer het leren

Ervaren collega’s hebben in de praktijk helaas weinig tijd voor begeleiding. Zij doen zelf ingewikkelde controles, hebben veel andere werkzaamheden op hun bord en een deel van hen stroomt uit door vergrijzing. Ook thuiswerken maakt kennisoverdracht moeilijker. “Huur een auditor zoals ik in als het moet, maar nog beter is om dit zelf in huis te hebben”, stelt Peters. “Probeer dus tóch vaker collega’s met elkaar te laten meegaan, organiseer collegiale toetsing en zorg voor een cultuur waarin feedback geven normaal is. Kijk verder naar terugkerende patronen in controles en rapportages en maak duidelijke werkafspraken.”

Ook de stap van opleiding naar praktijk kan veel slimmer worden georganiseerd. Zo zag Peters beginnende toezichthouders na hun basisopleiding eerst duidelijk afgebakende controles uitvoeren in de horeca en bij bedrijven met propaantanks. Pas daarna gingen ze op moeilijkere controles waarbij je op veel meer aspecten binnen een bedrijf moet letten. “Ervaren collega’s gingen in het begin een aantal keer mee, daarna gingen ze zelf op pad en dat pakte heel goed uit.” Zo sluit de praktijk meteen aan op wat iemand net heeft geleerd.

Iemand die meekijkt

Omdat begeleiding binnen omgevingsdiensten schaars is, wordt Peters regelmatig ingehuurd om met toezichthouders mee te gaan tijdens controles. Vooraf bespreekt hij de inspectie, tijdens het bezoek houdt hij zich afzijdig en daarna volgt de feedback. Hij kijkt naar het hele proces: van voorbereiding en bedrijfsbezoek tot afronding en rapportage. “Een slechte voorbereiding leidt in de regel tot een slechte controle.” Individuele bevindingen bespreekt hij met de toezichthouder. De organisatie krijgt alleen de algemene patronen terug. “Het gaat om ontwikkelen en kwalitatief beter worden, niet om het straffen van een individu.”

“Een slechte voorbereiding leidt in de regel tot een slechte controle.”

Dat er iemand meekijkt, is even wennen. “Sommigen vinden het spannend”, vertelt Peters. “Anderen zijn juist blij dat ik meeloop, omdat ze ervan kunnen leren.” Juist dat laatste biedt volgens hem de meeste meerwaarde. Opleidingen besteden dan wel steeds meer aandacht aan vaardigheden als gesprekstechnieken en politieke sensitiviteit, maar de praktijk is vaak toch echt anders. “Oefenen met een acteur is niet hetzelfde als echte controles houden en leren inspelen op onverwachte situaties en de persoon voor je.”

Faciliteer goed toezicht

De ontwikkeling van een toezichthouder staat of valt met de kwaliteit van informatie. “Wat is er vergund, wat is er gemeld, wat is de geschiedenis van het bedrijf en wat heeft de vorige toezichthouder geconstateerd? Dat dit te achterhalen valt of duidelijk is, is niet altijd vanzelfsprekend.” Peters komt bijvoorbeeld verouderde vergunningen tegen. “Als je daarmee een controle moet uitvoeren, dan kan dat niet. Dan moet het bevoegd gezag, bijvoorbeeld de gemeente of provincie, de vergunning eerst actualiseren.”

Ook toegang tot specialistische kennis is belangrijk. Een toezichthouder kan onmogelijk overal specialist in zijn. Peters noemt onder meer lucht, PFAS en opslag van gevaarlijke stoffen als onderwerpen waarbij verdieping nodig kan zijn. Zonder kennis dreigt een controle volgens hem oppervlakkig te blijven. De toezichthouder hoeft dus niet alles te weten, maar moet vooral kunnen herkennen wanneer een specialist nodig is – en vervolgens zo’n specialist kunnen inschakelen.

Blijf van elkaar leren

Veel van deze lessen zijn volgens Peters niet uniek voor omgevingsdiensten. Ook bij andere toezichthoudende organisaties speelt de vraag hoe je nieuwe mensen opleidt, praktijkervaring laat opdoen en de kennis van ervaren collega’s overdraagt. Hij benadrukt dat leren ook van jong naar oud kan. “Ervaren toezichthouders kunnen juist weer leren van jongere collega’s, bijvoorbeeld als het gaat om werken met data.”

“Ervaren toezichthouders kunnen juist weer leren van jongere collega’s.”

Peters sluit af: “Om van elkaar te leren moet je natuurlijk wel bereid zijn je eigen werkwijze open te stellen voor een ander en openstaan voor feedback. Dat geldt voor wie net komt kijken in het toezicht én voor de oude rotten in het vak. Vraag elkaar dan ook eens om met je mee te lopen, het zal je verbazen wat je daarvan kunt leren.”