Ga naar de inhoud

Hoe meten we de effectiviteit van milieutoezicht?

Toezicht houden en handhaven is nodig en zinvol. Natuurlijk. Maar toch. Wat bereik je ermee en hoe meet je of een interventie effectief is? Project Outcome ging met die vragen aan de slag. Een eerste resultaat ligt er: een praktische checklist.

Glazen bol waarin bomen te zien zijn

Nederland kent 29 regionale omgevingsdiensten. Zij verlenen milieuvergunningen aan bedrijven en zien erop toe dat ze de milieuregels naleven. Dat gebeurt in opdracht van provincies en gemeenten. “Jaarlijks controleert onze dienst ruim 2.000 bedrijven in zes gemeenten”, zegt Ronald Bakker, beleidsadviseur bij Omgevingsdienst Midden-Holland en secretaris bij Project Outcome. “We willen graag laten zien wat we bereiken met onze inspanningen. Vandaar Project Outcome. Doel daarvan is om de resultaten en effecten van het toezicht meer inzichtelijk maken.”

Maatschappelijke waarde

Marinus Jordaan
Marius Jordaan

Het project is in een initiatief van zeven regionale omgevingsdiensten en koepelorganisatie Omgevingsdienst NL. “Het is goed om dit gezamenlijk op te pakken”, zegt Marinus Jordaan, senior beleidsadviseur bij DCMR Milieudienst Rijnmond en lid van het projectteam. “Iedere omgevingsdienst heeft zijn regiogebonden prioriteiten en specialismen. De ene is gespecialiseerd in kwaliteitscontroles van zwemwater, de andere tracht meer inzicht te krijgen in het gedrag van bedrijven. Met dit project wilden we tot een gezamenlijke werkwijze komen om onze maatschappelijke waarde aan te tonen.”

De projectgroep ontwikkelde een praktisch instrument voor toezichthouders: een checklist. Bakker: “Het is een handzame vragenlijst op één A4, bedoeld om effectief toezicht te vergroten en kennisdelen makkelijker te maken. Er staan vragen in als: welk probleem speelt hier en wie hebben baat bij het toezicht? Op wie is de interventie gericht? Wat is de huidige situatie, wat is de gewenste situatie? En vooral: wat zijn de indicatoren waardoor we weten dat onze interventie het probleem verkleint of oplost.

Geluidsoverlast meten

Alle zeven deelnemende omgevingsdiensten testen de checklist nu in de praktijk. DCMR Milieudienst Rijnmond doet dit bij horecagelegenheden die veel geluidsoverlast veroorzaken. “Wat je wilt bereiken is duidelijk: minder geluidsoverlast”, stelt Jordaan. “De huidige situatie is dat omwonenden veel hinder ondervinden van sommige cafés en restaurants. De gewenste situatie is dat die geluidsoverlast afneemt. Maar hoe meet je dat? Wat zijn de indicatoren voor een effecieve aanpak? We hebben gekozen voor twee indicatoren: het aantal klachten over geluidsoverlast dat de meldkamer ontvangt en vooral de bezetting van de top 10 van horecazaken die de meeste overlast veroorzaken. Als bedrijven uit die top 10 van overlastveroorzakers verdwijnen, is dat voor ons een belangrijk signaal dat onze maatwerkaanpak werkt.”

“Het is een handzame vragenlijst op één A4.”

Volgens Bakker valt het niet mee om aan te tonen wat het effect is van toezicht. Hij geeft een voorbeeld. “Wij zien erop toe dat bedrijven energiebesparingen doorvoeren. Hierbij werken we heel resultaatgericht: controles moeten leiden tot energiebesparingen. Maar door de energiecrisis heeft de ondernemer een heel nieuwe prikkel gekregen om te besparen. Het is dus maar de vraag of een investering in energiebesparing het gevolg is van jouw controle of van de hoge energieprijzen. Er kunnen altijd externe factoren van invloed zijn op het gedrag van ondernemers en dus op de koppeling tussen inzet en effect.”

Ronald Bakker
Ronald Bakker

Weinig vlees op de botten

Goede data zijn in ieder geval belangrijk om een effectmeting uit te kunnen voeren, stelt Jordaan: “Het is van tevoren belangrijk om te bepalen welke data nodig zijn om conclusies te kunnen trekken. Onze omgevingsdienst wil aansluiten bij provinciale en gemeentelijke programma’s en ambities. Denk aan doelen op het gebied van circulaire economie en energiebesparing. Hoe mooi is het als wij met data kunnen onderbouwen wat we bijdragen?”

“Goede data zijn belangrijk om een effectmeting uit te kunnen voeren.”

Alle omgevingsdiensten willen dat graag. En allemaal zoeken ze naar manieren om effecten zichtbaar te maken, zo bleek tijdens de presentatie van de resultaten van Project Outcome. “Iedereen wil vooruit, dat is duidelijk”, zegt Bakker. “Maar de realiteit is ook dat er grote verschillen zijn in de hoeveelheid vlees die diensten op de botten hebben. Daarmee zijn er grote verschillen in de ruimte die er is om vernieuwend bezig te zijn.”

Een interbestuurlijk vervolg

De beide beleidsmedewerkers zijn dan ook blij dat Project Outcome een vervolg krijgt in het interbestuurlijk programma Versterking VTH-stelsel. Dit programma vloeit voort uit de adviezen van de commissie-Van Aartsen om milieuvergunningverlening, -toezicht en -handhaving te versterken en het stelsel effectiever en slagvaardiger te maken. Jordaan: “Het programma kent zes pijlers; een daarvan is informatie-uitwisseling en datakwaliteit. Daarin worden onze bevindingen en resultaten meegenomen. Er komt nu dus geld en capaciteit beschikbaar om gebruik en registratie van data landelijk naar een hoger niveau te tillen.”

“Er komt nu geld en capaciteit beschikbaar om gebruik en registratie van data naar een hoger niveau te tillen.”

De checklist helpt bij het vooraf bepalen welke data je nodig hebt om je succes te meten. Voor elk probleem zijn specifieke data nodig. Omgevingsdienst Midden-Holland gaat de checklist gebruiken, DCMR Milieudienst Rijnmond gebruikt het hulpmiddel al. Maar volgens Jordaan is er nog een lange weg te gaan om tot goede meetindicatoren en -resultaten te komen. “Het is een kwestie van voortdurend testen in de praktijk, daarvan leren en ervaringen delen. De eerste stappen zijn gezet. Hopelijk kunnen we in het interbestuurlijk programma snel sprongen maken.”

Neem voor meer informatie over Project Outcome contact op met info@odmh.nl of toezichtslab@dcmr.nl.