De Kaderwet rijksinspecties – een wet in wording – lijkt de positie van rijksinspecties eerder te verslechteren dan te verbeteren. Allerlei elementen geven ministers en hun departementen méér invloed en inspecties minder. Inspecteurs-generaal Alida Oppers en Theodor Kockelkoren leggen namens de Inspectieraad uit waarom dit problematisch is voor goed toezicht en waarom het belangrijk is dat ook jij meepraat nu de wet nog aan te passen is.

De Wet rijksinspecties zou de onafhankelijkheid van inspecties versterken. Zo stelde minister Bruins Slot al in 2023. En dat is ook waar toen nog kamerlid Pieter Omtzigt op aanstuurde met zijn initiatiefnota. Belangrijke aanleidingen voor deze beweging richting wettelijk vastgelegde onafhankelijkheid waren de enquêtecommissie aardgaswinning en de toeslagenaffaire. Beide lieten namelijk zien hoe schadelijk het was als een inspectie niet ongehinderd onderzoek kon doen, geen kritische vragen kon stellen én niet aan de bel kon trekken bij misstanden.
Van hoop naar teleurstelling
Inmiddels waait er duidelijk een andere wind in Den Haag. Oppers: “Twee jaar geleden waren we als Inspectieraad nog voorzichtig positief over de wet zoals hij er toen lag. Het leek echt dat de onafhankelijkheid van rijksinspecties beter zou worden verankerd. Er zouden méér checks and balances komen: duidelijke waarborgen die ervoor zorgen dat inspecties hun werk zorgvuldig en onafhankelijk kunnen doen. Maar gaandeweg is de wet steeds verder uitgekleed.”
Relevante artikelen
Kockelkoren ziet een zorgelijke trend: “Wat er nu ligt, betekent niet meer vooruitgang, maar een stap terug in die checks and balances. En eigenlijk is dat wonderlijk, want zowel deze als de vorige regering pleitten juist voor versterking van onafhankelijk toezicht.”
Kritiek van de Inspectieraad
“In de kern krijgen inspecties in het huidige voorstel minder ruimte om hun werk onafhankelijk in te richten. De focus ligt op een ‘single point of control’ bij de ministeries: alles moet daar onder controle blijven, en dat botst met onafhankelijk toezicht”, legt Oppers uit. “En dan doel ik niet op sturing vanuit wet- en regelgeving en beleidskaders. Die bieden de minister al een complete gereedschapskist om inspecties te kaderen – en dat hoort ook zo.”
“Wet- en regelgeving en beleidskaders bieden de minister al een complete gereedschapskist om inspecties te kaderen.”
Er zijn wel verschillen tussen departementen. Kockelkoren: “We zien dat de departementen die betrokken waren bij de parlementaire enquêtecommissie gaswinning meer doordrongen zijn van de noodzaak voor onafhankelijke inspecties.” Oppers voegt toe: “Voor sommige departementen zijn Groningen en de toeslagenaffaire zo’n ver-van-mijn-bedshow dat de noodzaak voor onafhankelijke inspecties te ver weg lijkt te zijn gezakt.”
Invloed op het werkprogramma

Een van de grootste zorgen van de Inspectieraad rondom de kaderwet is de beperkte autonomie over het werkprogramma. “Het uitgangspunt was altijd dat inspecties op basis van deskundigheid, ervaringen van inspecteurs en signalen van stakeholders zelf bepalen welke onderwerpen prioriteit verdienen”, legt Kockelkoren uit. “Maar onder deze wet zou elk onderdeel van het werkprogramma moeten worden goedgekeurd door de minister, en kunnen er voor het departement gunstige wijzingen opgelegd worden, zelfs tijdens de uitvoering van toezicht. Dat maakt onafhankelijk toezicht onmogelijk.”
Zowel Oppers als Kockelkoren weten hoe dit zijn weerslag heeft op onafhankelijk, kwalitatief toezicht. Kockelkoren: “Bij het SodM maakten we mee dat het departement zei: toezicht houden op de versterkingsopgave in Groningen is geen taak voor jullie. Om er vervolgens ook geen ruimte voor te maken in de begroting. Dat is oneigenlijke beïnvloeding.”
Oppers: “Een bekend voorbeeld bij de Onderwijsinspectie zijn de productietargets die de Tweede Kamer oplegt: een verplicht aantal scholen dat we moeten bezoeken. Zo’n kwantitatief target leidt helaas niet tot de beste bezoeken of het effectiefste toezicht met de mensen en middelen die je hebt.”
Beïnvloeding kan ook veel subtieler zijn. Zo staat in het wetsvoorstel ook een artikel dat een minister kan vragen om extra onderzoek. “Daar zijn wij niet op tegen”, stelt Kockelkoren. “Maar laat dan meteen verplicht zijn dat bij zo’n onderzoek ook de vereiste middelen beschikbaar worden gesteld. Dat is nu weggelaten uit het voorstel en dan loop je het risico dat het ministerie de agenda van de inspectie indirect kan sturen.”
Op gelijke voet?
Sowieso is de financiële positie van inspecties een punt van zorg. “Als je als inspectie afhankelijk bent van het budget dat een ministerie wel of niet toekent, dan wordt dat een sturingsmiddel”, stelt Oppers. “In de huidige situatie én in de kaderwet vallen we onder dezelfde begroting als de beleidsafdelingen van ons departement. Dat creëert een perverse prikkel waarbij je als inspectie ondergeschikt raakt. Terwijl beleid en toezicht naast elkaar staan. Daarom zien we liever een lumpsum-financiering.”
“Als je als inspectie afhankelijk bent van het budget van het ministerie, dan is dat een sturingsmiddel.”
Daarnaast maakt de Inspectieraad zich zorgen over de afhandeling van Woo-verzoeken, dit zijn verzoeken om informatie bij de overheid. Als je een dergelijk verzoek hebt aan een inspectie, krijg je een reactie van het ministerie in plaats van de inspectie zelf. “Als hun vraag door de top van het ministerie wordt beantwoord, dan bevestigt dat de perceptie onder burgers dat inspecties niet onafhankelijk opereren van het ministerie”, zegt Kockelkoren.
Ook goede zaken
De Inspectieraad ziet ook goede kanten van het huidige wetsvoorstel. Zo maakt de wet het mogelijk om een meerhoofdig bestuur binnen inspecties in te stellen. Dit voorkomt dat alle macht bij één persoon ligt, wat weer goed is voor de interne controle.

Ook krijgt de Tweede Kamer rechtstreeks toegang tot de inspecties. Dat betekent dat de Kamer inspecteurs-generaal direct kan bevragen over hun bevindingen, zonder dat de minister als tussenpersoon fungeert. “Dat kan nu overigens ook al, maar door dit te verankeren in de wet, wordt er hopelijk ook meer gebruik van gemaakt. En dat versterkt weer de rol van inspecties als controlemiddel binnen de democratie”, zegt Kockelkoren.
Daarnaast is in het voorstel een onafhankelijke commissie van advies opgenomen die toezicht houdt op de manier waarop inspecties hun werk doen. “Dat is een goede ontwikkeling, want het helpt ons om onszelf scherp te houden”, aldus Oppers.
Praat ook mee
De Inspectieraad roept bedrijven, gemeenten, maatschappelijke organisaties en burgers op om hun stem over de wet te laten horen via de internetconsultatie. “Wij weten ook wel dat de discussie over deze wet voor velen abstract is. Zeker voor burgers die niet direct te maken hebben met een inspectie. Maar de wet gaat wel concrete invloed hebben in de samenleving. Burgers zullen het merken als departementen direct invloed hebben op het werkprogramma van inspecties”, legt Oppers uit.
“De discussie over dit wetsvoorstel is voor velen abstract. Maar deze wet gaat veel concrete invloed hebben in de samenleving.”
De Inspectieraad zal zelf ook zijn reactie geven via de internetconsultatie. Oppers benadrukt tot slot: “Ongeacht de uitkomst van deze wet moeten wij als rijksinspecties onze rol pakken. En wat dat betreft is het regeerprogramma bemoedigend. Dat nodigt ons uit om onze positie te gebruiken voor een reflectie op hoe het nou eigenlijk gaat in het gewone leven van mensen, bedrijven en instellingen. En die rol pakken we steeds beter. In het meerjarenplan van de Inspectieraad bouwen we dit bovendien verder uit.”
Dit is de Inspectieraad
De Inspectieraad is een samenwerkingsverband van rijksinspecties. De inspecteurs-generaal van alle elf rijksinspecties hebben zitting in de raad. Daarnaast zijn de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming, de Inspecteur Generaal der Krijgsmacht en de Nederlandse Emissieautoriteit geassocieerde leden. De raad komt maandelijks bijeen en heeft als doel om toezicht continu te versterken en te verbeteren.