Ga naar de inhoud

De toezichthouder: Waakhond of …?

Toezichthouders worden vaak neergezet als waakhonden die beschermen, alarm slaan en zo nodig hun tanden laten zien. Een herkenbaar, maar beperkend beeld, vindt columnist Jeroen Kerseboom. Wie toezichthouders vooral zo ziet, denkt al snel vooral aan blaffen en bijten. Terwijl goed toezicht in veel gevallen iets anders vraagt: signaleren, begeleiden en helpen navigeren. Misschien hebben we eigenlijk met een ander type hond te maken?

Hulphond

Er is een jubilaris in ons midden. Het is alweer 25 jaar geleden dat beroepsvereniging Vide werd opgericht. Een kleine twintig jaar geleden was ik lid van het Vide-bestuur. Ter gelegenheid van het toen vijfjarige jubileum besloten we een boek uit te brengen over ‘toezicht, inspectie, handhaving en evaluatie en hun maatschappelijke betekenis in Nederland’.

Dat resulteerde in 2007 in de bundel ‘Turven, tellen, toetsen’. Twintig auteurs reflecteerden daarin vanuit praktijk en wetenschap op de stand van het denken en doen van toezichthouders. Het is interessant om terug te kijken: welk beeld van toezicht overheerste toen, en is er een verschil met vandaag?

Toezicht als last

Het waren deels andere tijden. Het kabinet-Balkenende II had net een nieuwe kaderstellende visie op toezicht uitgebracht ‘Minder last, meer effect’. In dezelfde periode nam de Tweede Kamer de motie-Aptroot aan. Die riep op tot één inspectie- en controledienst voor het bedrijfsleven om toezichtlasten te beperken. En de favoriete metafoor van dat moment was toezichthouders als ‘zelfrijzend bakmeel’: ze bleven maar groeien. Toezicht was een last die moest worden beperkt.

“Toezicht was een last die moest worden beperkt.”

In die context hadden toezichthouders in de beeldvorming een hoge nuisance value: ‘lastigvalwaarde’. Bedrijven beschreven toezicht vooral als administratieve last, zonder dat ze er zelf iets aan hadden. Mogelijk dachten de inspectieleiders ‘wie geschoren wordt, moet stilzitten’, want in het werkprogramma dat de Inspectieraad in datzelfde jaar opstelde, werd dit frame bijna letterlijk gevolgd: ‘Meer effect, minder last’. De tweede zin van het programma luidde heel dienstbaar: “Dat is wat het kabinet wil bereiken; de samenwerkende rijksinspecties voeren dat uit.”

In het publieke belang

Het was toen nog wachten op de kritische en activistische analyse van de WRR in ‘Toezien op publieke belangen’ (2013). De raad maakte daarin korte metten met de bovenmatige nadruk op ‘lasten’, ‘naleving’ en ‘bestuurscentrische dienstbaarheid’. Integendeel, toezicht moest volgens de WRR niet in de eerste plaats draaien om het beperken van toezichtlasten of het volgen van bestuurlijke prioriteiten, maar om het beschermen van publieke belangen. Daarmee gaf de WRR de toezichthouder nadrukkelijker een eigen rol: naast controleur van regels ook de partij die signaleert waar systemen of beleid tekortschieten.

“Integendeel, volgens de WRR moest toezicht draaien om de bescherming van publieke belangen.”

Tien jaar later

Eind vorig jaar blikten WRR-medewerkers in een bijeenkomst terug op ‘Toezien op publieke belangen’. Hebben zich in de tussentijd nieuwe uitdagingen voor het toezicht voorgedaan? Jazeker. De onderzoekers noemden er verschillende. Zo kunnen wet- en regelgeving en daarmee de instrumenten van toezichthouders digitalisering vaak niet bijbenen. Dat leidt tot nieuwe reguleringstekorten en toezichtleemtes.

De groeiende invloed van media op publieke besluitvorming en gedrag, zogenaamde mediatisering, brengt systeemrisico’s met zich mee. Dat vraagt om versterking van bestaand mediatoezicht en om uitwisseling en samenwerking tussen toezichthoudende organisaties.

Daarnaast vraagt Europeanisering van arbeidsmigratie en arbeidsparticipatie om intensiever en breder toezicht op de uitbuiting van EU-arbeidsmigranten en het voorkomen van discriminatie en psychosociale risico’s.  De Inspecteur-generaal van de Nederlandse Arbeidsinspectie (en voormalig ToeZine-columnist) Rits de Boer pleitte in dit verband er al eerder voor om lessen uit het toezicht bij de Europese Commissie en het Europees Parlement neer te leggen: Op naar Brussel.

Jeroen Kerseboom
Jeroen Kerseboom

Waakhond aan de lijn?

Ik zou daar graag een –isering aan willen toevoegen: caninisering: het omschrijven van toezichthouders als hond, en dan in het bijzonder als waakhond. Ik werk zelf bij de ‘privacywaakhond’ (AP) en heb vele collega’s bij, bijvoorbeeld, de ‘beurswaakhond’ (AFM) en de ‘voedselwaakhond’ (NVWA). De waakhond is enerzijds een mooie metafoor. Een toezichthouder moet zijn tanden laten zien en moet (door)bijten als het nodig is. Maar niet iedereen is een boef en hard blaffen is niet altijd nodig.

Bewaken, begeleiden, beter maken

Die beperkte blik op toezichthouders als blaffende en bijtende honden, die niet meer kunnen dan dat én die nodig gecorrigeerd moeten worden, laat ik liever achter in 2007. Om misverstanden te voorkomen: er is helemaal niets mis met dienstbare toezichthouders. Het gaat om de juiste richting van die dienstbaarheid: publieke belangen.

“Toezichthouders als waakhonden klinken als lastpakken.”

Als we toezichthouders dan toch willen blijven vergelijken met honden, stel ik voor: kijk eens naar ons als hulphonden. Die waken ook voor de belangen van hun eigenaar, maar doen meer. Ze signaleren, assisteren, begeleiden en brengen rust. Ik weet niet hoe mediageniek een privacyhulphond, een beurshulphond of een voedselhulphond zijn, maar misschien kunnen ze voor de afwisseling ook eens worden gebruikt. En mocht Vide ooit weer een jubileumboek overwegen, dan heb ik alvast een titel: ‘Bewaken, begeleiden, beter maken’.

Jeroen Kerseboom

is directeur Strategie en Internationaal bij Autoriteit Persoonsgegevens, waar hij zich bezighoudt met de koers en positionering van de bescherming van burgers in een digitale wereld. Eerder werkte hij onder andere voor de Algemene Rekenkamer, de Arbeidsinspectie en de Tweede Kamer. Hij schrijft in 2026 elk kwartaal een column voor ToeZine. Dit is zijn tweede bijdrage in die reeks.

Lees ook:

Relevante artikelen