Toezine

Wekelijkse verdieping voor professionals in toezicht, handhaving en inspectie

Bezig met laden...
Inspectie stimuleert beter hulpaanbod slachtoffers van loverboys

Inspectie stimuleert beter hulpaanbod slachtoffers van loverboys

Het zit wel snor met de kwaliteit van de gespecialiseerde 24-uurshulp aan slachtoffers van loverboys, concludeert de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. Opvallend is wel dat iedere instelling een eigen methodiek ontwikkelt en dat de hulpaanbieders lastig te vinden zijn. “Het is goed dat er een onafhankelijke partij naar de kwaliteit van jeugdhulp kijkt.”

“Het is fijn om te kunnen vaststellen dat de gespecialiseerde hulp aan slachtoffers van loverboys over het algemeen goed is,” vindt Carien Görts. Zij is als projectleider betrokken bij het onderzoek van de inspectie naar de kwaliteit van het 24-uurs hulpaanbod voor deze doelgroep. Bij elf van de dertien instellingen die gespecialiseerde hulp bieden aan loverboyslachtoffers, zijn de zaakjes prima op orde. De andere twee bieden ook kwalitatief goede hulp, maar staan nog te weinig stil bij de specifieke problematiek van deze slachtoffers, in de onderzochte instellingen allemaal meiden. Zij hebben iets extra’s nodig, hun weerbaarheid is bijzonder laag en hun zelfbeeld gebrekkig.

Achtergrond slachtoffers

De slachtoffers van loverboys zijn nog onvoldoende in beeld. Naar schatting waren er tussen 2012 en 2016 in Nederland zo’n 1300 minderjarige, overwegend vrouwelijke, slachtoffers van seksuele uitbuiting in Nederland. Bij het Coördinatiecentrum Mensenhandel werden er in diezelfde periode ruim 450 gemeld en in het voorjaar van 2017 schatten de inspecteurs het aantal slachtoffers in de gespecialiseerde 24-uurszorg op iets meer dan 140.

Problematiek hoog op de agenda

De opdracht voor dit onderzoek van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kwam van toenmalig staatssecretaris Van Rijn. Dat kwam niet uit de lucht vallen, het aanpakken van de loverboyproblematiek staat al jaren hoog op de politieke agenda. Belangrijk daarin is de commissie Azough, genoemd naar Tweede Kamerlid Naïma Azough. Als aanjager van betere integrale hulp aan loverboyslachtoffers, ontwikkelde zij allerlei producten om de kwaliteit van het hulpaanbod te verbeteren. Zoals het actieplan Hun verleden is niet hun toekomst, waarin elementen zijn opgenomen die belangrijk zijn bij de hulpverlening aan deze complexe doelgroep.
Het inspectieteam beoordeelde de instellingen aan de hand van vijf hoofdthema’s.
Professionals moeten bijvoorbeeld kennis hebben van deze specifieke problematiek, ze moeten de signalen herkennen, ze moeten weten welke vervolgstappen er nodig zijn en slachtoffers moeten worden aangemeld bij CoMensha. Deze elementen zijn uitgewerkt in een kwaliteitskader, dat de inspecteurs in dit onderzoek als meetlat gebruikten. Het inspectieteam beoordeelde de instellingen aan de hand van vijf hoofdthema’s: uitvoering hulpverlening, veiligheid, cliëntpositie, organisatie en leefklimaat.

Gesprekken met professionals en jongeren

Een team van drie of vier jeugdinspecteurs bezocht elke instelling een volle dag. De inspecteurs hielden interviews met bestuurders, managers en kwaliteitsmedewerkers over beleid, methodiek, personeel en andere organisatorische zaken. Daarna volgden interviews met de uitvoerend medewerkers en de gedragswetenschappers van de instellingen. De inspecteurs lieten zich rondleiden over de afdelingen en knoopten gesprekken aan met de jongeren. Ook keken zij een flink aantal cliëntdossiers in.
Bij twee instellingen stuitte het team op verbeterpunten.
Aan het einde van de dag gaven ze de instellingen een terugkoppeling van hun bevindingen op hoofdlijnen. Uiteindelijk stelden ze van iedere instelling een rapport op en brachten die dertien rapporten samen in De kwaliteit van de gespecialiseerde jeugdhulp aan slachtoffers van loverboys, dat een overkoepelend beeld geeft. Bij twee instellingen stuitte het team op verbeterpunten. Deze instellingen maakten een verbeterplan, waar de inspecteurs nog naar kijken.

Mix van diverse problemen

Bij aanvang van het onderzoek was het best even zoeken, want wie bieden er eigenlijk gespecialiseerde hulp aan loverboyslachtoffers? Het inspectieteam deed navraag bij twintig instellingen waarvan ze vermoedden dat deze specifieke 24-uurszorg boden en daarvan bleven deze dertien over. “Wat ons opviel, was dat er slechts twee instellingen groepen hadden met louter slachtoffers van loverboys,” merkt Görts op. “Voor de rest troffen we groepen aan die een mix bevatten van kwetsbare meiden met diverse problemen. Suïcidale neigingen, psychiatrische problematiek.”
Voor beide is wat te zeggen, meent de inspecteur. Bij een groep met louter slachtoffers van loverboys kan de hulp precies op maat gesneden zijn, maar gemengde groepen kunnen zorgen voor een andere groepsdynamiek. Meiden die met andere dingen kampen kunnen bijvoorbeeld opmerken: wat ben jij raar bezig met die mannen? Görts: “Bij sommige instellingen zagen we dat ze door onvoldoende financiële middelen niet in staat waren om goed opgeleide medewerkers in dienst te nemen. Dat is gezien de problematiek wel wenselijk.”
Werken met deze doelgroep vergt veel van de medewerkers. Daarom zijn medewerkers met minimaal hbo-niveau een must. Mensen die kennis hebben van de problematiek van loverboy slachtoffers, die in staat zijn om het positieve, ondersteunende netwerk te versterken en die de meiden kunnen losweken van het negatieve, gevaarlijke netwerk. Ook moeten ze besef hebben van de beschadigingen van deze meiden en in staat zijn om hen toekomstperspectief te bieden.
“Wat mij betreft is er wel wat meer efficiëntie mogelijk.”
De inspecteurs hebben ook oog voor de methodiek die de instellingen hanteren. Dat gaat gepaard met veel meer dan dagbesteding. Deze meiden hebben een intensieve behandeling nodig die zich richt op zaken als weerbaarheid en traumaverwerking. De inspecteurs zijn positief over de methodieken, maar iedere instelling vindt opnieuw het wiel uit. “Het gebeurt allemaal binnen de eigen instelling,” merkt Görts op. “Ze zijn betrokken bij hun doelgroep en willen iets specifieks aanbieden, maar ze zouden ook kunnen denken: hier hebben we een goede methodiek die bewezen effectief is, we maken het overdraagbaar. Wat mij betreft is er op dat vlak wel wat meer efficiëntie mogelijk.” Onder aanvoering van het Nederlands Jeugdinstituut is nu een aantal van deze hulpaanbieders betrokken bij een programma om hun methodieken verder te ontwikkelen en op te nemen in de databank van effectieve jeugdinterventies.

Onvoldoende zicht op hulpaanbod

Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de jeugdhulp. Mocht een wijkteam zicht krijgen op een meisje dat verstrikt zit in een relatie met een loverboy, dan moet het team wel weten waar ze kunnen aankloppen. Görts: “Daarom doen we in dit rapport een aanbeveling die niet zozeer is gericht op de instellingen, maar meer op de gemeenten: krijg goed zicht op de gespecialiseerde hulpverlening en zorg voor een goed dekkend landelijk aanbod.”
Waar de instellingen overigens wel voor kunnen zorgen, zijn goede doorstroommogelijkheden. Dus dat een meisje na opname op een gesloten afdeling kan overstappen naar een open plek, waar ze doorbehandeld wordt. En dat er ambulante hulp komt, als ze uiteindelijk weer thuis gaat wonen.

Goede praktijkvoorbeelden

Wat is de meerwaarde van inspectie binnen de jeugdhulp? “Het is goed dat er een onafhankelijke partij naar de kwaliteit ervan kijkt,” meent Görts. “De inspectie kan zaken agenderen die vervolgens worden opgepakt. Net zoals de commissie Azough een impuls kan geven, kunnen wij dat met ons onderzoek ook doen.” Görts benadrukt dat de onderzoeken van de inspectie doorgaans wel erg gericht zijn op wat er moet worden verbeterd, maar zij vindt dat er ook veel te leren valt van goede praktijkvoorbeelden. Die heeft het team daarom ook achterin het rapport opgenomen. “Daarmee willen we zeggen: ga eens in gesprek met elkaar over hoe je het aanpakt. Immers, we willen in gezamenlijkheid deze doelgroep zo goed mogelijk hulp bieden.”